Digital Natives

‘Digital natives’ houden de gemoederen bezig. Was er een paar weken geleden een uitgebreide discussie in de Onderwijs 2.0 group van LinkedIn, sinds een paar dagen wordt er heftig gediscussieerd op de list-serve van IASL.
Daarbij gaat het niet zozeer over wat een DN eigenlijk is, maar meer over wat wij (leraren en onderwijsbibliothecarissen) met ze aanmoeten. Dat we er iets mee moeten is wel duidelijk, maar wat dan?

DN-ners verwachten van ouders, school, hun sociale omgeving acties die aansluiten bij hun belevingswereld, althans dat wil de commercie ons graag doen geloven. Kijk maar eens naar Abbey, the digital native. Eerlijk gezegd moest ik wel een beetje lachen om dat rare filmpje: het was duidelijk een ‘gemonteerd’ kunstwerkje want een kleuter met dit taalgebruik? Bovendien waren de ‘cuts’ duidelijk te zien, maar het filmpje maakt bij veel collega’s wereldwijd veel emoties los en terecht. Want er zijn helaas nog teveel mensen die denken dat je met tooltjes alleen de leeromgeving verrijkt en leerlingen beter leert leren. Geef ze nou maar al die leuke speeltjes en dan komt het vanzelf wel goed. Ook volgens Abbey ligt het probleem bij de volwassenen die maar niet willen opschieten met het omturnen van de leeromgeving. 

Maar is dat ook zo? Uit talloze rapporten blijkt dat nogal tegen te vallen: we hebben ‘traditionele’ vaardigheden (lezen) nodig om informatie van een scherm te kunnen interpreteren en gebruiken en computers effectief te kunnen gebruiken. Zelfs mensen die wel goed kunnen lezen en interpreteren hebben problemen met het vinden van de juiste informatie. Het gevolg is dat de meeste webgebruikers slechts oppervlakkig gebruik maken van alle mogelijkheden; ze hebben problemen met het vinden van informatie, met het begrijpen van informatie en met het transformeren van informatie naar kennis. Onderwijs in informatievaardigheden is daarom broodnodig maar daaraan ontbreekt het op de meeste scholen.
Het is trouwens op zijn minst curieus te noemen dat Nederland het enige land ter wereld is dat zoveel termen kent voor de internationaal bekende en geaccepteerde term ‘Information Literacy’.
Inmiddels is er ook nog een wijdverbreid misverstand ontstaan over de verhouding informatievaardigheden – mediawijsheid. Wat is nou wat en wie onderwijst waarin? Internationaal breed geaccepteerd is de opvatting dat Information Literacy de paraplu is waaronder alle andere informatie competenties vallen, dus ook mediawijsheid en vele andere literacies en dat onderwijsbibliothecarissen de aangewezen professionals zijn om leraren te ondersteunen bij het onderwijzen van deze competenties.

Wat mij betreft is de vraag niet: gebruiken we scrapblog of voicethread, maar hoe transformeer je informatie tot kennis. Deze vraag los je overigens niet op met een vak mediawijsheid in de school. Daarvoor moeten informatievaardigheden worden geimplementeerd in alle vakken en alle lesuren: echt ‘mediawijs‘ kun je pas worden als je leert binnen de context van het vak met nieuwe technologie om te gaan. Dat is trouwens al jaren geleden vastgesteld, maar blijkbaar nog niet tot iedereen doorgedrongen. Jammer, want het wordt hoog tijd dat we Abbey de ruimte geven en haar helpen om met behulp van al die leuke speeltjes, aan kennisconstructie te doen.

Digikids

De term ‘digital natives’ is bijna niet te vertalen in het Nederlands, maar volgens de Van Dale moet dit ‘Digikids’ zijn. Met deze term wordt de generatie, geboren aan het eind van de jaren negentig aangeduid: jongeren die opgroeien met digitale technologie en dit net zo vanzelfsprekend vinden als eten, drinken en slapen.

Dit is de generatie waar we in het onderwijs mee te maken krijgen en vaak al hebben: jongeren die niet (kunnen) begrijpen dat er een tijd is geweest zonder computers, ipod’s, gsm’s en games en moeiteloos de nieuwe technologie toepassen in hun dagelijkse bestaan.

Er zijn jongeren, kinderen vaak nog, die gestimuleerd door al die nieuwe mogelijkheden geïnspireerd worden en zelf een toepassing bedenken om hen te helpen in hun dagelijkse leven. Een prachtig voorbeeld is de 6-jarige James Scowcroft. Hij bedacht de ‘sprekende rugzak’: ’s morgens verteld de tas hem z’n lunch mee te nemen en z’n sportkleren; de tas helpt hem z’n huiswerk niet te vergeten en z’n drinken in te pakken. Wat een briljant idee. Zo’n tas zou ik ook nog wel kunnen gebruiken!

Hoe gaan we om met deze generatie in het onderwijs en de onderwijsmediatheek? Een klein niet representatief onderzoekje naar de websites van mediatheken in het VO levert weinig opwekkends op: in plaats van leerlingen de ruimte te geven zelf te ontdekken en te creeëren, timmeren we de PC’s dicht en presenteren we vooral rijen met regels van wat niet mag. Tsja, ik hoor jullie denken: maar dan maken ze er een rotzooitje van. Dat mag dan zo zijn, maar hoe komt dat? Dat ligt volgens mij niet aan de mogelijkheden die we hebben, maar aan de manier waarop we samen met leerlingen ermee werken en leren. In plaats van leerlingen te leren omgaan met al die nieuwe technieken en creatieve opdrachten te verstrekken, sturen we ze alleen ‘het digitale woud in’ met zouteloze en oninteressante taken. De leerlingen vervelen zich rot en gaan klooien in plaats van geïnspireerd aan de slag.

Een paar weken geleden verscheen een nieuw boek over dit onderwerp van John Palfrey & Urs Gasser: Born Digital: Understanding the First Generation of Digital Natives. Beide auteurs zijn verbonden aan Harvard en het boek heeft goede kritieken gekregen. Lijkt me in ieder geval de moeite waard om eens te lezen, zodat we op z’n minst begrijpen wat een ‘Digikid’ is. Vervolgens moeten we gaan nadenken over het aanpassen van onze (les)methoden. Want dat we ons moeten aanpassen, staat volgens mij als een paal boven water.

Groen

Vorige week is er een heftige discussie losgebarsten in de internationale onderwijsbibliotheekwereld over het nut en noodzaak van live conferenties en het afschaffen of afbouwen hiervan en deze om te vormen tot virtuele of op zijn minst hybride conferenties.

Als belangrijkste redenen om tot ombouwen of afschaffen te komen, worden genoemd
– de kosten om naar (internationale) conferenties te reizen en deel te nemen;
– het feit dat daardoor slechts weinigen kunnen profiteren van de alles wat men tijdens een conferentie kan leren en opnemen
– de onbegrensde mogelijkheden die de nieuwe ict-tools te bieden hebben
de noodzaak voor onderwijs informatiespecialisten deze nieuwe tools te leren gebruiken en deze kennis over te dragen
– een virtuele conferentie is GROEN: geen vliegreizen en dikke tassen met papier

Deze discussie is niet nieuw, want in 2005 al werd tijdens de ENSIL-meeting gediscussieerd over mogelijkheden om te komen tot een virtuele gemeenschap met mogelijkheden tot discussie en uitwisseling van ideeën. Het resultaat van deze discussie was de start van de list serve ENSIL-list en de opzet van een (simpele) website op basis van een blogtool. Deze twee virtuele werelden functioneren redelijk goed, maar zoals met alles, het succes is afhankelijk van de bijdragen van de deelnemers. Dat geldt niet alleen voor live uitwisseling maar zeker ook voor de virtuele variant.
Deelnemen aan congressen, conferenties, seminars, studiedagen e.d. kost geld, tijd en inzet. Het reizen naar verre oorden om een (internationale) conferentie bij te wonen vraagt om een nog grotere bijdrage en dat is zeker niet voor iedereen weggelegd. In Europa zijn veel collega’s die zowel financieel als fysiek niet in staat zijn naar deze bijeenkomsten te gaan en ook in Nederland is dat een probleem gebleken. Maart zoals uit de reactie van een Italiaanse collega bleek, zijn virtuele conferenties niet altijd de oplossing: systemen haperen en door gebrek aan medewerking van instanties is succes lang niet altijd verzekerd. Maar er zijn nog meer redenen waarom een geheel virtuele op dit moment nog geen optie is. In veel landen (ook in Europa) zijn doodeenvoudig de mogelijkheden niet aanwezig: er zijn geen Pc’s beschikbaar en als ze er wel zijn, worden deze gebruikt voor andere (onderwijskundige) doeleinden en kan de mediathecaris die niet zomaar opeisen om een virtuele sessie bij te wonen; ook de taal is een groot probleem. Zoals opgemerkt in de discussie op IASL-link mag Engels wel als voertaal worden erkend, de praktijk is veelal anders. Verschillende accenten, woordgebruik, het gebruik van vele acroniemen belemmert de communicatie in grote mate. In een live versie zijn deze obstakels makkelijker te tackelen: de spreker is te onderbreken of na afloop aan te spreken; je kunt je buurman of een collega vragen je te helpen en wellicht nog wel het belangrijkste, lichaamstaal zegt soms meer dan duizend woorden.
Maar er zijn nog drie heel belangrijke redenen waarom een geheel virtuele conferentie niet zondermeer de vervanger van een live versie is en dat is het netwerken tussen collega’s. Natuurlijk doe je veel kennis op tijdens de diverse sessies, maar het bijpraten met collega’s tijdens de lunch of de koffie is minstens net zo belangrijk. Bovendien worden tijdens bijvoorbeeld de IASL-conferenties ook altijd scholen en bibliotheken bezocht en uit eigen ervaring weet ik dat juist dit soort bezoeken cruciaal zijn voor de juiste beeldvorming en kennis omtrent dat land en die cultuur. Kennisuitwisseling is meer dan het overdragen van tekst en beeld via een Pc of video!
Verder mag het bekend worden verondersteld dat de meeste beroepsverenigingen en – organisaties bestaan bij de gratie van sponsors. Die sponsors willen in contact komen met de leden van die verenigingen. Dat doen ze o.a. door standruimte te kopen tijdens congressen. De inkomsten die hierdoor worden gegenereerd zijn cruciaal voor het voortbestaan van die verenigingen en organisaties. Een virtuele variant hiervan zie ik nog niet zo, maar dat kan uiteraard in de toekomst veranderen.

Kortom, alhoewel ik een voorstander ben van het adopteren van nieuwe technologie om kennisuitwisseling te bevorderen, is het verstandig de huidige situatie eerst goed te analyseren en op basis daarvan te komen tot een nieuwe variant. Daar waar het kan zijn virtuele sessies zeker aan te bevelen en moeten die mogelijk worden gemaakt. Proceedings en programma’s van conferenties moeten op CD of DVD en/of op het web worden gepubliceerd in plaats van papier (met in acht nemen van copyrights natuurlijk). Dat zou al een flinke bijdrage zijn aan het groener maken van dit soort bijeenkomsten. En groen is een mooie kleur, ook voor onderwijs informatiespecialisten.