Boeken, lezen en meer van dat saais

Er zijn zorgen omtrent lezen en jongeren, dat wil zeggen, jongeren schijnen niet meer te lezen en dat is niet goed, aldus de deskundigen. Opmerkelijk in dit verband is dat er steeds meer boeken worden gepubliceerd ook (non)fictie voor jongeren en uitgevers zijn niet dom: dan doen ze natuurlijk niet als er geen markt voor is. Ook worden er af en toe onderzoeksresultaten gepubliceerd die een tegendraads geluid laten horen: jongeren lezen wel degelijk, alleen ze lezen andere dingen (Metro, Sp!ts, De Pers etc.?) en is er meer concurrentie van andere leuke tijdverdrijvingen. Ik denk wel eens bij mezelf dat ik nu niet graag een puber zou willen zijn. In mijn tijd waren die keuzes er niet en werden we ook niet zo opgezweept door school, omgeving en media om allerlei dingen te doen. Het leven was redelijk overzichtelijk en relaxed. Een baantje was iets voor een of twee uurtjes per week; sportliefhebbers gingen een uurtje trainen en een uurtje spelen en muziekliefhebbers gingen naar de muziekschool. Tv was iets voor ’s avonds en in het weekend na het huiswerk en vrienden sprak je op school of thuis. Niks netwerken bijhouden, sms-sen, twitteren, laat staan emailen. Geen filmpjes maken en zelf uploaden; geen foto’s delen op Flickr of Picasa en zeker geen voicethreads maken. Naar de kroeg ging je alleen op zaterdagavond en voor indrinken had je geen tijd want dan stond je nog op het sportveld of vakken te vullen.

Maar alle gekheid op een stokje: een eigentijdse jongere is niet te benijden en ik kan me wel voorstellen dat boeken lezen binnen de giga hoeveelheid keuzes niet prioriteit nummer 1 is. Zeker niet, zoals blijkt uit onderzoek van Theo Witte, als de boeken die scholieren in het voortgezet onderwijs worden geacht te lezen, helemaal niet aansluiten bij hun leesniveau. Een interessante vraag is, waar is het misgegaan? Want lazen wij dan ook boeken die niet aansloten bij ons leesniveau? Misschien wel, alleen werd er (naar mijn eigen ervaring) anders mee omgegaan. Een boek dat me niet aansprak of dat ik niet snapte, legde ik weg en ik koos een andere. Er was tenslotte keuze genoeg. Bovendien werd in de klas uitvoerig aandacht besteed aan literatuur en aan de betekenis en inhoud van individuele werken. Is dat dan een reden om de situatie maar te laten zoals die is? Neen, zeker niet. Ik denk dat het onderzoek van Witte en zijn project waarin hij leraren en mediathecarissen helpt om de keuze voor leerlingen te vereenvoudigen en het leesniveau op te krikken zeer waardevol is. Zeker als dat ertoe bijdraagt dat lezen meer wordt dan alleen een van de (verplichte) nummers voor het schoolexamen.

Morgen is het trouwens Wereld Boeken Dag. Een andere goeie reden om het boek en dan met name literatuur, eens in het zonnetje te zetten.

Digikids

De term ‘digital natives’ is bijna niet te vertalen in het Nederlands, maar volgens de Van Dale moet dit ‘Digikids’ zijn. Met deze term wordt de generatie, geboren aan het eind van de jaren negentig aangeduid: jongeren die opgroeien met digitale technologie en dit net zo vanzelfsprekend vinden als eten, drinken en slapen.

Dit is de generatie waar we in het onderwijs mee te maken krijgen en vaak al hebben: jongeren die niet (kunnen) begrijpen dat er een tijd is geweest zonder computers, ipod’s, gsm’s en games en moeiteloos de nieuwe technologie toepassen in hun dagelijkse bestaan.

Er zijn jongeren, kinderen vaak nog, die gestimuleerd door al die nieuwe mogelijkheden geïnspireerd worden en zelf een toepassing bedenken om hen te helpen in hun dagelijkse leven. Een prachtig voorbeeld is de 6-jarige James Scowcroft. Hij bedacht de ‘sprekende rugzak’: ’s morgens verteld de tas hem z’n lunch mee te nemen en z’n sportkleren; de tas helpt hem z’n huiswerk niet te vergeten en z’n drinken in te pakken. Wat een briljant idee. Zo’n tas zou ik ook nog wel kunnen gebruiken!

Hoe gaan we om met deze generatie in het onderwijs en de onderwijsmediatheek? Een klein niet representatief onderzoekje naar de websites van mediatheken in het VO levert weinig opwekkends op: in plaats van leerlingen de ruimte te geven zelf te ontdekken en te creeëren, timmeren we de PC’s dicht en presenteren we vooral rijen met regels van wat niet mag. Tsja, ik hoor jullie denken: maar dan maken ze er een rotzooitje van. Dat mag dan zo zijn, maar hoe komt dat? Dat ligt volgens mij niet aan de mogelijkheden die we hebben, maar aan de manier waarop we samen met leerlingen ermee werken en leren. In plaats van leerlingen te leren omgaan met al die nieuwe technieken en creatieve opdrachten te verstrekken, sturen we ze alleen ‘het digitale woud in’ met zouteloze en oninteressante taken. De leerlingen vervelen zich rot en gaan klooien in plaats van geïnspireerd aan de slag.

Een paar weken geleden verscheen een nieuw boek over dit onderwerp van John Palfrey & Urs Gasser: Born Digital: Understanding the First Generation of Digital Natives. Beide auteurs zijn verbonden aan Harvard en het boek heeft goede kritieken gekregen. Lijkt me in ieder geval de moeite waard om eens te lezen, zodat we op z’n minst begrijpen wat een ‘Digikid’ is. Vervolgens moeten we gaan nadenken over het aanpassen van onze (les)methoden. Want dat we ons moeten aanpassen, staat volgens mij als een paal boven water.